Tekens van overleden persoon met zijn eigen horloge. Contact na de dood (Deel 4)

tekens van overleden persoon
16:10 uur

We hebben de overlijdenspapieren er nog op nagekeken. De akte. Tijdstip van overlijden 16:10 uur. De reden dat ik het moest controleren, was dat ik wel wist dat het om ongeveer 16:00 uur was, maar dat ik de precieze tijd niet wist. Tekens krijgen van een overleden persoon: “Ik ben er nog!” Mijn vader liet zijn horloge na zijn dood meerdere keren een aantal maanden stilstaan en daarna weer doortikken. Maar dat stilstaan was nooit op een willekeurig moment. Toeval? Wat mij betreft zou dat nog kunnen als zoiets één keer gebeurt. Maar dit verhaal vind ik wel zo sterk dat het alleen maar mijn papa kan zijn, die heeft gezorgd dat ik er echt niet meer aan hoef te twijfelen. En dan bedoel ik dus niet zo’n sterk verhaal dat het niet waar is, hoewel ik begrijp dat het ongeloofwaardig kan overkomen. Maar ik doe niets anders dan beschrijven wat ik heb opgemerkt. Zijn tekens van leven om te laten weten dat hij er nog is. Leven na de dood bestaat.

Het exacte tijdstip van overlijden was 16:10 uur.

En tot op de dag van vandaag staat zijn horloge stil op die bewuste tijd. Dit was het ultieme bewijs en dat na drie andere veelzeggende datums en tijden waarop zijn horloge bleef stilstaan.

Op het moment dat ik erachter kwam dat het echt precies 16:10 was dat mijn vader was overleden en ik dat aan mijn broers ging vertellen, gebeurde er nog iets zeer opmerkelijks. Daarover straks meer. Nu gaan we een stukje terug in de tijd om de eerste keer te beschrijven dat zijn horloge stil bleef staan.

Tekens van een overleden persoon?

Er zijn vele verhalen te vinden over horloges van overleden personen die bij nadere beschouwing precies zijn blijven stilstaan op de sterftijd. Dat zou je kunnen wijten aan toeval. Dat mag. Zou best kunnen. Maar het komt behoorlijk vaak voor.

Is het dan nog wel toevallig?

Ik ben op zolder gaan zoeken naar het horloge van mijn schoonvader. Want toen ik het horloge van mijn vader keer op keer in beweging zag komen en op uiterst veelzeggende dagen en tijden weer een lange tijd zag stilstaan, werd ik erg nieuwsgierig. Op het moment dat mijn schoonvader een aantal jaren daarvoor was doodgegaan, was ik zelf nog niet bezig met leven na de dood en de mogelijkheid van het krijgen van tekens van een overleden persoon.

Maar ik was aangenaam verrast bij het zien van het horloge van mijn schoonvader en zijn dag van sterven, die ik had opgezocht op de rouwkaart.

Nu eerst het horlogeverhaal van mijn eigen vader, want die maakte het wel erg bont.

Ik zie zo voor me dat hij zat te genieten wanneer ik ontdekte wat hij nu weer had gedaan. Dat ik het doorhad. Want het moet knap lastig zijn, als je probeert te laten weten dat je er nog bent en je wordt niet opgemerkt. En omdat hij wist dat ik veel bevestiging nodig had, heeft hij erg zijn best gedaan. Of misschien wel om te zorgen dat ik het ooit aan de rest van de wereld zou gaan vertellen.

Omdat bijvoorbeeld gevoelens van opmerken dat een overledene aanwezig is, nogal vaag zijn voor anderen, vind ik mijn horlogeverhaal altijd zo veelzeggend.

Toeval? Kansberekening?

Mwah. Niet meer.

Als je mijn verhaal hebt gelezen, omdat je er nog aan twijfelt, ben je daarna misschien overtuigd. Of misschien lees je het uit nieuwsgierigheid. Of om een soortgelijke ervaring te vinden met tekens van een overleden persoon, om je eigen ervaring bevestigd te zien als een serieus teken van leven na de dood.

Het horloge van mijn vader heb ik eerst nog een tijdje gedragen.

Het deed het namelijk nog gewoon nadat hij was doodgegaan. Zijn horloge was veel te groot voor me, maar ik vond het fijn om iets van hem bij me te hebben. Iets waar hij zelf elke dag vaak op keek. Hij had zo’n speciale horloge blik, een soort automatisme, waarmee hij keek hoe laat het was, terwijl het misschien helemaal niet nodig was om te weten hoe laat het was.

Op een dag stopte zijn horloge ermee.

Niet opgelet op wat voor tijd of wat voor datum het stopte. Ik heb het naast de urn met zijn as erin gelegd, die toen nog in de kast stond.

Een half jaar later ongeveer werd zijn piano uit zijn oude huis verhuisd naar mijn eigen huis.

Als je mijn vader hebt gekend, weet je dat die piano het grootste deel van zijn leven daarvan deel uitmaakte. Die piano was langer bij mijn vader dan ikzelf en er werd veel op gespeeld. Ik vond het erg emotioneel om die te verhuizen, maar de vertrouwde pianostemmer die dus ook mijn vader kende, deed dat met beleid.

Vanaf het moment dat de piano bij mij in huis stond, kreeg de urn daar een mooi plekje bovenop. En zijn horloge legde ik erbij.

Ik heb het naast zijn foto gelegd, op het hoekje van zijn eigen piano.

Opa in de urn is nu trouwens uit logeren bij m’n nichtje.

Maar wat mij betreft zit hij daar dus helemaal niet in, oftewel alleen zijn buitenkant. Hijzelf, of zijn ziel of energie, of hetgeen hij werkelijk is en wat dus doorleeft na het sterven van het lichaam, liet iets zeer bijzonders gebeuren met zijn horloge.

Vanaf het moment dat zijn horloge op de piano was gelegd, begon het spontaan weer met tikken.

Langzaam, niet op een normale snelheid, maar de secondewijzer tikte wel vooruit.

Grappig, dacht ik, de batterij zou nog wel niet helemaal leeg zijn. Elke keer dat ik langs de piano liep en even stilstond bij mijn papa in de urn, keek ik vanzelf ook even op zijn horloge. Gewoon, zoals ik ook naar zijn foto keek.

Het volgende kan nog wel verwarrend zijn, als ik het heb over een datum of een tijd, daarom leg ik uit dat er op zijn horloge een datumteller zit. Normaal gesproken, als het horloge het echt doet, geeft die aan wat voor datum het is. Dus bijvoorbeeld op 20 december staat dat ding op 20.

Iedere dag keek ik eventjes op zijn horloge. En het bleef stug doortikken, langzaam, alsof de secondewijzer met een zo goed als lege batterij moeite deed om nog vooruit te komen.

Opeens stond zijn horloge weer stil, met de datumteller op de 19e.

Mijn vader is doodgegaan op de 19e. Mijn hart maakte een sprongetje want zijn horloge was dus al maanden langzaam aan het tikken en was nu blijven staan op de 19e. En daar bleef het een paar maanden op stilstaan.

Toeval?

Ja, daar twijfelde ik toen nog aan. Wel erg toevallig. Heel leuk toeval, dat wel.

Ik had wel al gelezen over tekens krijgen van een dierbare die is overleden en contact krijgen met iemand die dood is, maar dat zou dit toch niet zijn?

Zijn horloge begon na een tijd opnieuw vanzelf met tikken.

Weer langzaam, met veel moeite. Maar toch zonder pauze. Elke dag ging ik even kijken of ie het nog deed.

Na een aantal maanden zou de pianostemmer komen. Dezelfde meneer die ook al jarenlang bij mijn vader thuis was geweest, en de piano had verhuisd, kwam nu voor de eerste keer bij mij thuis de piano stemmen.

Ik had een afspraak met de pianostemmer op vrijdag de 13e om 10:00 uur.

Vlak voordat het 10:00 uur was, keek ik nog even op het horloge op de piano. En ik schrok me een ongeluk. Het horloge dat al die tijd langzaam verder had getikt, had dus ook altijd op de verkeerde tijd of datum gestaan. Maar nu?

Zijn horloge stond opnieuw stil. Zowel de datumteller als de tijd klopte met de afspraak van de pianostemmer op dat moment.

Het was 10:00 uur en de 13e en het horloge stond op 10:00 en op de 13e en het stond stil.

Ik verzin het niet.

Vanaf dat moment weer een aantal maanden een stilstaand horloge. Tot het opnieuw ging tikken, ja het wordt saai, of het wordt juist mooier dan ik had kunnen verzinnen.

Langzame tikjes en vooruit weer gingen die wijzers. Ik kon het zelf bijna niet geloven. Ik dacht eigenlijk dat het toeval nu wel zou ophouden, anders zou het te gek worden. Maar nee. Zijn horloge bleef doortikken tot en met 23 december.

Vlak voordat we uit eten zouden gaan om de verjaardag van mijn vader te vieren – 23 december – keek ik op zijn horloge.

Op zijn eigen verjaardag stond zijn horloge opnieuw stil. Alweer op de 19e. Zijn sterfdag.

Toen vroeg ik me nog zoiets raars af, of ik misschien met eigen gedachtekracht dingen kon beïnvloeden ofzo. Hihi. Misschien had ik krachten zoals Matilda uit het boek van Roald Dahl, kon ik zelf horloges met lege batterijen in beweging brengen en laten stoppen op speciale dagen en tijden.

Nee. Want de laatste keer dat zijn horloge bleef stilstaan, had ik wel een vermoeden dat er iets speciaals aan de hand was, maar had ik bevestiging nodig van de overlijdensakte en hulp van mijn broer. Dus dat had ik onmogelijk zelf kunnen doen.

En natuurlijk ben ik geen Matilda uit een fantasieverhaal.

Dit was echt.

Deed papa dat? Overleden en iedereen in diep verdriet en hij maar tekens aan het sturen? Seintjes aan het geven terwijl hij hartstikke dood was? Nee toch…

En toch.

Tikken en doorgaan. Stilstaan.

Dus niet even, dat je je afvraagt wat tikken en stilstaan is. Nee, echt een paar maanden stil en dan weer een aantal maanden non stop door.

En dat gebeurde dus nog een keer en nu voor de laatste keer. Tenminste dit is nu al een aantal jaren geleden en zijn horloge heeft na wat ik je nu ga vertellen, geen enkele beweging meer gehad.

Dat kan ook haast niet anders, want dit was wel het toppunt.

Ik kan wel zeggen dat ik tekens krijg van mijn geliefde maar overleden papa, maar dat blijft vaak vaag. Die eerste droom was voor mij puur bewijs, maar ik kan me voorstellen dat het een ander niets zegt. Maar dit? De enige andere verklaring is toeval. Maar wanneer kun je iets nog toeval noemen?

Dus jawel, de wijzers kwamen weer op gang, op diezelfde trage manier.

Nu was ik natuurlijk bijzonder gespitst op hetgeen er zou gaan gebeuren. Elke dag effe paar keer kijken. Hoe laat is het? Wat voor datum is het? Staat ie stil? Nee, hij gaat nog steeds door.

Lange tijd, tergend langzaam, tikte zijn horloge door.

En toen stond hij weer stil.

Doodstil.

Op de 19e? Nee. Wat jammer. Was er iets anders speciaals vandaag? Nee. Was het dan toch allemaal toeval? Waren de bijzondere momenten dan nu afgelopen? Dat moest dan wel.

Tot ik nadacht over het tijdstip.

De wijzers stonden precies op 16:10 uur, maar dat klopte niet, dus dan was het geen teken. Het moest wel precies kloppen. Dit telde niet. Want papa was doodgegaan om 16:00 uur. Toch?

Of niet?

Ik heb niet op de klok gekeken toen het echt zover was namelijk. Ik was erbij toen hij doodging en ik zie het nog precies voor me. Dus ik had wel andere dingen aan mijn hoofd dan op de klok kijken. Het was rond 16:00 uur, dat wel.

Waarom stond zijn horloge dan stil op exact 16:10 uur?

Ik stuurde mijn broers een bericht met de vraag hoe laat papa was doodgegaan. Daarna volgde er een gesprek op WhatsApp dat er ongeveer zo uitzag:

Ene broer:

16:00 uur, dat weet je toch.

Ik:

Ja dat weet ik natuurlijk, maar ik moet het precies weten. Was het echt 16:00 uur, of 16:05 of 16:10 of 16:15? Of iets anders?

Ene broer:

Dat weet ik niet hoor.

Ik:

Ik moet de precieze tijd weten dat ie dood was.

Andere broer:

Ik weet het ook niet. Maar ik heb hier ergens de overlijdenspapieren. Zal ik effe kijken?

Ik:

Ja, schiet op! Hoe laat?

Andere broer:

16:10 uur.

Ik:

Het tijdstip van overlijden is 16:10 uur?! Serieus?

Andere broer:

Ja.

Wat ik toen deed en zei, dat weet ik niet meer.

Ik weet wel dat mijn hart in mijn keel klopte en dat ik van spanning en blijdschap en ongeloof wist dat ik het nu absoluut zeker wist.

Wat het nog spannender maakte, was dat precies op het moment dat ik mijn broers het bericht stuurde dat zijn horloge op 16:10 uur was blijven stilstaan, en ik er een fotootje van ging maken, mijn dochtertje een bijzonder rare ervaring had.

Mijn dochter van toen 5 jaar kwam beneden en was zeer verbaasd.

Het was namelijk ’s ochtends en nog donker en zij had iets langer geslapen dan haar broertje. Toen zij nog boven was en ik naar mijn broers het ongelooflijke bericht stuurde, kwam zij net uit haar kamer en waren boven alle lichten uit.

Zodra ze beneden door de deur kwam, vertelde ze geschrokken en zeer verbaasd dat het boven heel erg donker was, maar dat het licht in de kamer van haar broertje vanzelf aan en weer uit ging.

Het licht ging vanzelf aan en weer uit.

Mama ik deed niks en er was helemaal niemand. Het ging gewoon vanzelf!

Die lamp is niet kapot en is nooit vanzelf aan en weer uit gegaan, behalve op dat ene bewuste moment. Een spaarlamp die er nog steeds in zit. Het licht in die kamer doet het prima.

Waren dat nog meer tekens van mijn overleden papa? Om aan te geven dat ik het goed zag? Dat hij het echt was? Als een toefje slagroom op de taart? Als extra bevestiging?

In ieder geval kreeg ik het door dat bericht van mijn dochter nog benauwder dan ik het al had op dat moment. Niet bang benauwd, maar ontzettend vol vreugde en schrik en blijdschap. Het gaf een kick.

Op de akte van overlijden stond 16:10 uur.

Mijn broer keek in een ander huis op de akte van overlijden en zonder dat we zelf wisten hoe laat onze papa precies was doodgegaan, stond op zijn horloge precies dezelfde tijd als op die akte.

Hoezo tekens van een overleden dierbare? Hoezo toeval? Wat was dit?

Tot op de dag van vandaag – dat is nu al een aantal jaren geleden – staat zijn horloge op dat bijzondere tijdstip stil. Als een bewijs. Als een herinnering aan mijn papa die heel vaak nog bij me is, maar waar ik geen bewijs meer voor nodig heb.

&

Lees verder in Contact na de dood (Deel 5) waar ik vertel hoe ik mij te pletter schrok van de kastdeuren die openvlogen!

Heeft je hoogsensitieve kind een last of een kracht

hoogsensitieve kind last of kracht
Vallen of Fietsen

Hoogsensitieve kinderen hebben vaak hulp nodig om te leren omgaan met de uitdagingen van hun eigenschap, zodat de last een kracht kan worden. Waardoor ze zich bewust worden van hun prachtige talenten en die ook kunnen benutten. Dat geldt ook voor vele volwassenen, wanneer die er nu pas achter komen dat ze hoogsensitief zijn. Je hoogsensitieve kind heeft namelijk een aangeboren kenmerk, dat een last kan zijn als er niet voldoende aandacht voor is, maar dat een kracht kan zijn wanneer het begrip ervoor en de juiste manier van ermee omgaan aanwezig zijn.

Moeilijk gedrag heeft altijd onderliggende oorzaken.

Als orthopedagoog, leerkracht basisonderwijs en hulpverlener in de jeugdzorg, heb ik vele kinderen en ouders begeleid. Vanuit die ervaring wist ik allang dat moeilijk gedrag altijd onderliggende oorzaken heeft en dat je vaak als ouder iets bij jezelf kan veranderen, opdat het gedrag van je kind kan veranderen. Maar bij mijn eigen kind kon ik daar niet genoeg bij. Ook niet mij mezelf.

Je kind is niet moeilijk. Je kind heeft het dus moeilijk!

Breekt je hart?

Zelf ben ik opgegroeid als hoogsensitief kind en daar kwam ik pas laat achter. Eigenlijk pas toen ik erachter kwam dat mijn kind hoogsensitief is. Nu ben ik een hoogsensitieve moeder met twee hoogsensitieve kinderen en ik weet als geen ander in wat voor ingewikkelde dynamiek je met je kind kunt belanden. Er spelen vaak ook factoren mee die zich (deels) op onbewust niveau afspelen en het is moeilijk om daar zelf bij te komen.

Dat is veranderd toen ik Juliska leerde kennen van Praktijk Eigentijdse kinderen.

Eindelijk vallen alle puzzelstukjes op hun plaats. Daarvoor had ik al een boel in de gaten, maar kon mijn vinger er niet helemaal opleggen. En de problemen bleven bestaan. Eindelijk begrijp ik nu mezelf en eindelijk begrijp ik mijn kind echt. Daardoor kan ik ook eindelijk doen wat goed is voor mezelf en – dus – ook voor mijn kind.

Zelfvertrouwen en emoties.

Gedrag is altijd een gevolg van onderliggende (onbewuste) oorzaken en wanneer je een kind alleen aanspreekt op dat moeilijke gedrag, kun je het zelfvertrouwen juist (verder) ondermijnen. Met inzicht in wat het betekent hoogsensitief te zijn en daarmee te leren omgaan, kan een kind zich eindelijk bewust worden van zijn talenten in plaats van zich onzeker en anders te voelen.

Fijngevoelig zenuwstelsel.

Hoogsensitieve kinderen zijn normale kinderen. Heel gewone kinderen met een eigenschap die lastig, maar ook heel mooi kan zijn. Als je hoogsensitief bent, heb je een zeer fijngevoelig zenuwstelsel. Hierdoor komen zintuiglijke prikkels ongefilterd binnen.

Hoogsensitieve kinderen nemen dus veel meer waar dan gemiddeld.

Die eigenschap maakt dat hoogsensitieve kinderen bijvoorbeeld heel empatisch zijn, behulpzaam, intuïtief en creatief. Met een groot gevoel voor sfeer en details. Ze voelen alles goed aan, zijn nauwkeurig en denken overal heel goed over na.

Maar het is ook vaak heel lastig. Al die prikkels hebben namelijk ook meer tijd nodig om verwerkt te worden. Hoogsensitieve kinderen hebben vaak een negatief zelfbeeld, of last van faalangst. Ze voelen zich vaak anders. Daarnaast zijn hoogsensitieve kinderen minder belastbaar, sneller uit balans en dus gevoeliger voor stress.

Je hoogsensitieve kind heeft dan vooral last van zijn eigenschap of talent, terwijl het kan leren dat het ook een kracht kan zijn en een kwaliteit.

Stress.

Die stress kan al bestaan uit een schoolreis, zand tussen je tenen uit de zandbak, duwende kinderen in de rij, een Sinterklaas surprise maken, een toets voor aardrijkskunde, een druk schoolplein in de pauze, een boze juf, of het getik van de pen van je buurman in een stille klas.

En meestal alles bij elkaar en nog veel meer, zowel op school als thuis.

Alles opmerken en voelen.

Een hoogsensitief kind heeft bijvoorbeeld zijn werk niet af, omdat het alles hoort en ziet en voelt om zich heen in de klas. Het blijft luisteren naar dat onbekende geluidje buiten en denkt erover na wat dat zou kunnen zijn en krijgt er bijvoorbeeld ook nog een angstig gevoel bij en allerlei beelden in zijn hoofd – terwijl de meeste andere kinderen dat geluidje niet eens opmerken.

Het heeft in de pauze een ander kind gezien na een valpartij, met een kin vol bloed en een gescheurde lip en voelt dat alsof het zijn eigen kin is. Het wil dat andere kind ook nog helpen, maar dat gaat niet. Het blijft erover nadenken en het voor zich zien.

Daarnaast is het bang dat het zijn werk niet af krijgt. En dat is dus ook vaak niet af.

Dan komt ook de juf nog langs, die zegt dat je dat wel allemaal moet weten voor de middelbare.

En wordt het geacht mee te denderen in de toetsen- en prestatiecultuur, terwijl het amper toekomt aan rustmomenten. Want met de pauze buitenspelen en snel je brood opeten in de klas, is geen rust. Maar tegenwoordig hebben bijna alle scholen een continu rooster.

Gepest worden geeft stress:

Heb jij je pyjama nog aan ofzo?

Een hoogsensitief kind heeft bijvoorbeeld vaak last van bonnetjes in kleren of van strak zittende kleding, zeker wanneer het minder goed in zijn vel zit. En wanneer het dan eindelijk een lekkere fleecebroek heeft gevonden, terwijl het eigenlijk liever een modieuze skinny jeans aan wil zoals de andere klasgenoten, maar dat niet lúkt, dan is zo’n opmerking erg stressvol voor zo’n kind.

Het wordt intenser beleefd.

Alle zintuiglijke informatie wordt intenser beleefd en heeft langer de tijd nodig om verwerkt te worden. En ook de hersteltijd is langer.

Zoiets is altijd al niet leuk, maar bij een hoogsensitief kind worden emoties intenser beleefd dan bij iemand die niet hoogsensitief is. En gedachten ook, dus ook de gedachten over die opmerking worden intenser beleefd.

Daar kunnen ze dan ook nog ’s nachts van wakker liggen, wat voor nog meer stress zorgt. Wanneer een hoogsensitief kind dan de volgende morgen wordt geacht naar school te gaan, stapelen de problemen zich al op, want wat als ze weer zeggen dat je in pyjama bent en wat nou als je weer je werk niet af hebt? Wat nou als dat kind naast je weer zegt dat jij stom bent en niet met jou in de slaapkamer wil op schoolkamp?

Je kunt niet eens kiezen wat je op je brood wil. Of bij wie je wil spelen. Hoe kan je dan kiezen wel werkje je als eerst zal doen op je weekplanning waar oneindig veel taken op staan?

En dit zijn maar een paar voorbeelden, want de werkelijkheid is nog veel ingewikkelder.

Thuis gaat het al helemaal niet vanzelf, wanneer ouders het (nog) niet snappen. Daar voelt een kind zich veilig genoeg om alle frustratie eruit te gooien, maar dat zorgt ook voor bergen frustratie.

Die combinatie van allerlei factoren maakt dat een hoogsensitief kind veel sneller overprikkeld raakt dan een gemiddeld kind. De prikkels stapelen zich op, wanneer zij zelf en/of de mensen in de omgeving niet snappen dat het voor hen anders werkt.

Je anders voelen.

Zoveel dingen die voor anderen zo normaal lijken, lukken vaak niet zo goed, wanneer je je vanbinnen vaak anders voelt en onbegrepen. Als je moeite hebt met dingen waarmee de meesten helemaal geen moeite hebben.

En soms doet een kind helemaal niet moeilijk. Hebben opvoeders niet zozeer last van moeilijk gedrag, maar is het kind teruggetrokken, stil en verlegen en zit het dus ook niet goed in zijn vel. Ook dan kan het extra steun gebruiken.

Hoogsensitiviteit en de last die een kind ervaart, dus het (langdurig) overprikkeld zijn, kan zich namelijk uiten in moeilijk, storend en clownesk gedrag, maar ook in het tegenovergestelde, dus stil en teruggetrokken gedrag.

Begrip en zelfvertrouwen.

Jezelf begrijpen en snappen dat je niet zozeer anders bent, maar gewoon jezelf, is een enorm belangrijke stap naar aanvaarden van wie je bent en zelfvertrouwen hebben.

Heeft je hoogsensitieve kind vooral een last of een kracht? Dat is vooral afhankelijk van het begrip en hoe ermee om wordt gegaan. Van hoe je kind zichzelf leert te begrijpen.

Hoogsensitieve kinderen zouden later een enorm belangrijke bijdrage kunnen leveren in de maatschappij, juist omdat ze alles zo goed reflecteren en elk aspect van een probleem tegen het licht houden. Ze vertrouwen daarnaast op hun gevoel, wat heel andere aspecten belicht dan alleen de rationele manier van problemen oplossen.

Kinderen zijn de toekomst van ons allemaal. Met meer begrip en aandacht voor hoogsensitiviteit kan er veel veranderen in de wereld in positieve zin.

&

Burn-out onbegrip omgeving – ik ben ook weleens moe

burn-out onbegrip omgeving
Lean on me

Burn-out is aanstelleritis. Een burn-out en je krijgt kwetsende opmerkingen, advies dat nergens op slaat en je eerder het idee geeft dat je een aansteller bent in plaats van dat het je helpt en je krijgt kritiek. Maar met een burn-out ben je echt ziek. Ik heb het niet over het hebben van burn-out klachten, maar over het hebben van een burn-out. Daar zit een wezenlijk verschil tussen. Met een burn-out ben je ziek. Lichamelijk ziek. Het zit niet tussen je oren. Het is niet psychisch. Je moeheid is niet ingebeeld. Toch krijg je met een burn-out te maken met erg veel onbegrip uit je omgeving.

Ik kan ook weleens m’n bed niet uit…

Dat zegt iemand die nooit een burn-out zal krijgen.

Die het nooit zal begrijpen. Dat geeft niet, want diegene snapt het voor zichzelf zorgen wel beter dan jij.

Maar zo werkt het niet.

Zo’n opmerking doet pijn. En begrip is fijn. Je hebt steun nodig. Even tussendoor: Ik begrijp het wel degelijk, dus zoek je tips om serieus te herstellen van je burn-out?

Maar de meesten snappen het echt niet.

Ik slaap ook weleens slecht…

of nog zo’n mooie:

Je bent niet écht moe, dat zit tussen je oren. Als je steeds denkt dat je moe bent, word je dat vanzelf.

en deze:

Je moet gewoon lekker gaan sporten, dan voel je je zo weer beter.

of dit:

Ja ik had ook een burn-out. Nee slaapproblemen had ik niet. Ik was na een maandje rust wel weer de oude. Gewoon effe rustig aan doen.

en dit dan:

Ik denk dat ik er gewoon beter tegen kan, ik ga ook weleens door als ik me ziek voel (met andere woorden: jij bent gewoon minder belastbaar, je bent eigenlijk een watje, je bent gewoon zwakker dan ik, al wil ik het zo niet noemen en ik bedoel het ook niet zo, maar je snapt wel wat ik bedoel…)

of dat:

Hoezo ben je moe? Je hebt toch de hele nacht in bed gelegen?

en vergeet die niet:

Hoe kan zij nou een burn-out hebben, ze doet toch niks?

en ga zo maar door:

Is het nou nog niet over? Je moet gewoon meer dingen doen waar je energie van krijgt.

De misvattingen over een burn-out zijn gigantisch.

De oordelen die iedereen over je heeft, wanneer je een echte burn-out te pakken hebt of er heel dicht tegenaan zit, zijn lastig en vaak erg kwetsend. Er is vanuit je omgeving vaak veel onbegrip voor je burn-out.

Ze begrijpen er niets van.

Maar denken wel dat ze je van advies kunnen voorzien. Of je krijgt gewoon harde opmerkingen te verduren, die je met een serieuze burn-out al nóg minder kunt verdragen dan wanneer je gezond zou zijn. Want alles komt des te harder binnen.

Je hele beschermingslaag is weg. Je bescherming tegen alle soorten prikkels is weg. Geluiden, drukte, zonnestralen, licht uit telefoons en laptops, slecht nieuws, cafeïne, kritiek, etc., alles komt harder binnen. En vaak zijn mensen die een langdurige burn-out krijgen juist degenen die zich vaak veel aantrekken van wat anderen zeggen en vinden.

Dus ook kwetsende opmerkingen komen nog harder binnen dan anders.

Dat doet pijn.

Vaak is iets kwetsend, omdat het uit volledig onbegrip voortkomt. Het is niet expres. Dit onbegrip voor je burn-out uit je omgeving is meestal niet kwaad bedoeld, maar geeft jou toch het gevoel dat je een idioot bent of een zwakkeling, of dat je je aanstelt.

In ieder geval voel je je totaal niet begrepen.

Het zou je eigen schuld zijn.

Wat is burn-out?

Je hebt je lichaam al zolang zo ernstig uitgeput dat een beetje extra slaap niet meer helpt. Misschien slaap je al weken dag in dag uit en ’s nachts, maar ben je nog steeds oneindig moe. Misschien kun je helemaal niet meer slapen omdat je lichaam puur teert op de adrenaline.

Je hebt je reserves keer op keer uitgeput en opgemaakt, zodat je lichaam aan de gang blijft op stress hormonen, waardoor je ligt te stuiteren in bed. Jarenlang heb je verschillende stressbronnen en/of achtereenvolgende stressbronnen en hebt je stressklachten al jarenlang genegeerd.

Je stressbronnen zijn niet weg te nemen of je hebt er meerdere tegelijk, zowel op je werk als thuis. Jarenlang heb je chronisch slaapgebrek en te weinig rust voor jezelf.

En toch ben je door gegaan als ieder ander. Omdat je een doorzetter bent. Jij gaat altijd over je grenzen.

Je voelt je verantwoordelijk voor alles en iedereen en zet het belang van anderen voor dat van jezelf. Ook als ze dat niet doorhebben of wanneer het niet nodig is.

Jij vindt het moeilijk om voor jezelf te zorgen en jezelf op de eerste plaats te zetten. Jij negeert de grenzen en signalen die je lichaam aangeeft, neemt ze niet serieus, zet ze aan de kant en gaat eraan voorbij.

Niet af en toe omdat dat nu eenmaal zo gaat in het leven.

Maar altijd.

Iedereen heeft wel eens problemen, ziekte, slaaptekort of stressbronnen.

Maar waar anderen pas op de plaats kunnen maken, de zorg even overdragen, kinderen kunnen uitbesteden, hulp vragen, een oppas regelen, een keer uitslapen, of kunnen aangeven dat ze er even geen nieuwe opdrachten bij kunnen hebben, zich een weekje ziek melden, eraan toegeven als ze ergens geen zin in hebben, thuis blijven van de zoveelste verjaardag, in bed blijven na een bevalling, eerder weggaan op een feestje of helemaal niet komen, geen bergen werk overnemen van zieke collega’s, doe jij dat niet.

Waar anderen pas op de plaats kunnen maken, doe jij dat niet.

Nooit.

Altijd ga jij door.

Ook als het allang niet meer gaat. En dus is je lichaam een wrak geworden.

Je gaat door op de wil die je hebt. Doorgaan omdat je dat wil, omdat je dat nodig vindt, omdat het verwacht wordt, omdat je dat gewend bent, omdat je dat moet, omdat je denkt dat dat moet.

Je hart klopt ook in stilte en volledige rust zo hard alsof je een kilometer hebt gesprint.

Nee, ook mediteren of rustig zitten of liggen helpt daar niet tegen. Het voelt alsof er ’s nachts 1000 hamsters in je hoofd rondrennen in van die molentjes en die gaan de hele nacht door. Je gedachten kunnen niet stoppen. Slapen lukt niet. Je hele stresssysteem is uit balans, oftewel dat systeem staat altijd aan. En je hart klopt zo hard door de adrenaline die door je lijf giert, om je op de been te houden.

En tegelijk ben je zo verschrikkelijk oneindig moe dat het woord moe de lading helemaal niet meer dekt.

Mesjogge.

Je hoofd ontploft en je hersens en je lichaam werken niet zoals je gewend bent.

Niks gaat meer zoals jij wil.

Al je emoties gaan van hot naar her. Je wordt ontzettend boos om een kleinigheid. Je hebt geen kort lontje; nee, op sommige momenten is je lontje compleet verdwenen. Ook wanneer je gewend was altijd de rust zelve te zijn en gewend was controle te hebben over wat je deed.

Je voelt je overgenomen van buitenaf. Al je bescherming is weg.

De woorden die je wil zeggen, zeg je niet. Je zegt andere woorden dan je wil zeggen. Er komt vaak wartaal uit je mond of er komt niks uit je mond terwijl je van alles wilt zeggen.

Je kunt niet nadenken zoals je wil. Je hoofd werkt niet.

Er is kortsluiting.

Je hoofd lijkt wel zwart plakkerig asfalt dat net is gestort.

Nadenken kun je niet meer, in ieder geval niet zoals je gewend bent. Je kunt niet meer lezen. Concentreren lukt niet. Je hoofd draait vanbinnen. Letters op papier dansen en zien er wazig uit. Een simpel rekensommetje lukt niet meer.

Je kunt niet meer bewegen zoals je wil. Ook al wil je hoofd uit bed; toch werkt je lichaam niet mee. Spieren functioneren niet zoals jij wil.

Je verliest alle controle over je lichaam en/of geest. Je lichaam neemt de regie over. Omdat jij nooit stopt, laat de natuur je stoppen.

Het lukt niet. Het gaat niet.

Niks gaat.

Je wil wel, maar het gaat niet. Echt niet.

Ik ben ook weleens moe…

Kortsluiting. Wartaal. Leeg. Bang.

Bang serieus totaal gek te worden.

Jij bent zolang als je leeft, gewend uit bed te gaan. Je gaat altijd uit bed. Altijd.

Ik kan wel duizend dingen opnoemen die je hebt gedaan, terwijl je eigenlijk niet uit bed kon of had moeten gaan, maar dan lijkt het of ik wil verdedigen dat je meer doet dan een ander zonder burn-out.

Waar het op neer komt, is dat iemand met een burn-out structureel en dus altijd over zijn grenzen gaat.

Grenzen? Wat zijn grenzen?

Chronisch slaapgebrek? Structurele slaapproblemen? Ziekte? Stress? Problemen? Jarenlang?

Nou en? Doorgaan.

Buikpijn? Vermoeidheid? Hoofdpijn? Concentratieproblemen? Misselijkheid? Niet helder kunnen denken? En dat dag in dag uit? Maandenlang? Jarenlang? En nog steeds niet slapen?

Nou en? Doorgaan.

Je doet alles omdat het gewoon moet. Omdat je altijd alles doet behalve voor jezelf zorgen. Ook als het eigenlijk niet gaat.

Totdat je lichaam zodanig is uitgeput, dat je op je reserves gaat leven. En dan nog ga je uit bed. En wanneer je dat zolang doet, dat je ook uit bed gaat wanneer je op je reserves leeft, voel je je grenzen niet meer.

Je voelt je grenzen niet.

Of je negeert ze net als altijd. Het gaat wel.

Je kan gewoon uit bed.

Je negeert al je klachten en de pijn die je lichaam aangeeft. Niet voor een keertje, maar altijd. En ja, je kan nog gewoon uit bed. Maar je teert op adrenaline en je reserves, zolang totdat ook je reserves uitgeput zijn.

En dan kan je NIET meer uit bed.

Je doet altijd alles wat anderen ook doen en nog meer. Ook wanneer het NIET gaat. Altijd.

Ook als je ziek bent, ook als je moe bent, ook als je koorts hebt. Je gaat uit bed, ook als je net bent bevallen, ook als je vanbinnen doodgaat van verdriet, ook als je al nachten lang helemaal niet hebt geslapen, ook als je al maandenlang maar een paar uur slaapt, ook als je meer werk verzet dan anderen die wel goed slapen.

En dat alles bij elkaar. En nog meer.

Altijd. Ga jij je bed uit.

Maar nu niet. Niet meer.

Je wil, maar het lukt niet. HET GAAT ECHT NIET!

En je omgeving reageert met onbegrip op je burn-out. Hoezo burn-out? Iedereen kan weleens niet uit bed. Iedereen is weleens moe of heeft stress. Gewoon doorzetten.

Ja. Jij kan weleens niet uit bed. En dat doe je dan ook niet. Of af en toe wel, maar als het niet gaat, ga jij bijslapen. Of je doet iets voor jezelf, of neemt een dagje rust. Ofzo.

Je kan niks met een burn-out. Want jij weet hoe je voor jezelf moet zorgen. Maar doe niet alsof iemand met een burn-out zich aanstelt. Of dat die gewoon een schop onder zijn kont nodig heeft.

Iemand met een ernstige burn-out schopt zichzelf namelijk al zijn hele leven onder zijn kont.

Want anders krijg je geen burn-out.

&

Leven na de dood bestaat: Eerste teken van overleden vader. Contact na de dood (Deel 3)

leven na de dood bestaat
Pap, ik zie je

Leven na de dood bestaat. De eerste keer dat ik een teken van leven kreeg, was ’s nachts. Die volgende dag voelde ik mij – naast diep verdrietig en met die onverdraaglijke pijn in mijn hart – tegelijk intens gelukkig en blij. En dat soort van verliefde gevoel heeft weken aangehouden.

Mijn vader heeft mij haarfijn laten weten dat hij nog bij me is, hoe dood hij ook mag zijn. Hij is dood, maar hij is nog ergens. En dus niet alleen in mijn hoofd en in mijn hart.

Ik wist het na die nacht gewoon. Hij is er nog.

“Papa was bij me. Ik heb het niet gedroomd. Ik weet het zeker.”

Zo stond ik die ochtend in de woonkamer. En met die boodschap ging ik onmiddellijk m’n moeder bellen. En met die boodschap ging ik naar m’n broers.

Het ontvangen van informatie van een overleden persoon was compleet nieuw voor mij, maar ik ben er door mijn ervaringen van overtuigd geraakt dat er leven na de dood bestaat. In Contact na de dood (Deel 1) lees je dat ik zoiets niet zomaar aanneem. In Contact na de dood (Deel 2) lees je meer over het bewijs van een leven na de dood.

Leven na de dood bestaat.

Want je ziel, geest, chi, qi, bewustzijn of spirituele energie leeft verder in een andere dimensie, een hiernamaals of wat dan ook, hoe jij het ook wil noemen. Er is na het sterven van ons stoffelijke lichaam een ander soort bestaan dat we met onze aardse ogen niet kunnen waarnemen. Waar precies en hoe? Dat heeft nog niemand wetenschappelijk bewezen, maar dat hoeft ook helemaal niet.

Alle ervaringen van ontelbare mensen door de eeuwen heen en vooral ook mijn eigen ervaringen, zijn voor mij genoeg bewijs.

Mijn papa ging dood.

Hij en ik hadden weleens gepraat over een mogelijk voortleven na de dood, maar niet echt uitgebreid. Achteraf heb ik weleens gelezen dat mensen die beiden geloven dat er contact na de dood mogelijk is, soms afspreken met elkaar om ook echt contact te zoeken wanneer het zover is. Maar dat hebben wij dus niet gedaan.

Van de ene op de andere dag kreeg ik rare en tegelijkertijd vertrouwde boodschappen van mijn vader.

En dat ze van hem afkomstig zijn, weet ik zeker omdat het alleen maar dingen zijn die alleen hij zo zou zeggen of doen, of die alleen hij kon weten. Het is niet uit te leggen als je zelf nooit zoiets voelt of meemaakt. En ook niet te snappen. En toch ga ik mijn best doen mijn ervaringen zo precies mogelijk op te schrijven, zodat dit soort ervaringen normaler worden en zodat meer mensen soortgelijke dingen (weer) durven delen.

Sommige gebeurtenissen zullen jou of anderen ongeloofwaardig in de oren klinken.

Of wazig, vaag en helemaal nietszeggend. Of ontzettend vergezocht. Misschien vraag je je af of ik het verzin.

Dat begrijp ik volledig. Maar in mijn context en mijn beleving was er meestal geen twijfel mogelijk of een gebeurtenis, samenloop van omstandigheden, gevoel of ervaring van papa afkomstig was of niet.

Dat varieerde van bijvoorbeeld warmte voelen alsof er iemand tegen je aan zit, tot en met zijn horloge dat lange tijd stilstond en spontaan weer ging tikken en dan weer bleef stilstaan op een veelzeggende datum en tijd en dat meerdere keren. En nog vele andere dingen. In volgende delen Contact na de dood kun je hierover verder lezen.

Ervaringen als bewijs dat leven na de dood bestaat, komen veel vaker voor dan we weten.

Dat komt, omdat dit soort gebeurtenissen met de opkomst van de wetenschappelijke wereld lange tijd werden gezien als onmogelijk. Dat leven na de dood bestaat, kan wetenschappelijk (nog) niet.

En dus zouden de mensen die beweren dat leven na de dood bestaat, dom zijn of goedgelovig of niet goed snik. Geloof is maar geloof en wetenschap en bewijs zouden het enige echte zijn. Maar de wetenschap weet niet alles. Zelfs meer niet dan wel.

Ik wil meer openheid over ervaringen met leven na de dood, en dus zonder dat die ervaringen worden weggezet als zijnde niet normaal.

Leven na de dood bestaat? Contact met een overledene? Dat zouden ervaringen zijn van iemand die in de war is, psychotisch of te fantasievol. Gebeurtenissen in je hoofd als gevolg van trauma, als gevolg van zeldzame dromen, als gevolg van een of andere stoornis. Trucjes van je hersenen om je verdriet te verzachten. Toevallige gebeurtenissen waar je betekenis aan wil hechten.

Niet dus.

Die allereerste keren heb ik opgeschreven nadat het gebeurde.

Later ben ik daarmee opgehouden, want ik hoefde niemand meer te overtuigen. Dan geloofden ze het maar niet.

Ik kon er gewoon in rust van genieten. Iedere keer dat ik iets zeer bijzonder toevallig meemaakte, of bijvoorbeeld iets wat ik nog nooit had gevoeld, was voor mij opnieuw bewijs dat hij er écht nog is.

De aanwijzingen werden in de loop der jaren ook minder treffend, omdat er niets meer te bewijzen viel denk ik. Ook ik had geen overdreven duidelijke tekens van leven meer nodig, omdat hij al zo zijn best had gedaan en ik het nu gewoon normaal vind dat hij er soms is.

Hij weet dat ik het weet. Hij weet dat ik hem heb opgemerkt.

Hij hoeft nu als het ware niet meer te roepen en te zwaaien. Zo van: “Joehoe, Esje!”

Hartstikke dood en onzichtbaar voor de meesten. Onzichtbaar als een ziel die voortleeft in een ander soort energie, in een andere frequentie, maar wel voor mijn neus: “Esther! Merk je het nou, ik ben er nog! Let op dan, zie je wat ik doe? Hoor je me? Voel je dit? Heb je dat wel gezien?”

Hij is er af en toe en ik voel dat en dan geniet ik van zijn aanwezigheid.

Ik weet vaak niet wanneer hij weer vertrekt, wat dan word ik weer afgeleid door bijvoorbeeld mijn kinderen. Misschien merk ik het soms ook niet op wanneer hij er is. Ik heb vast en zeker ook niet alles opgemerkt wat hij heeft laten weten. Niet alles gehoord wat hij in mijn oren toeterde. Maar soms kon ik hem duidelijk horen.

Dus dat hij af en toe langs komt voor de gezelligheid of om mij te steunen, daarvan ben ik overtuigd. Waar hij daarna weer naartoe gaat, dat weet ik niet.

Hij is regelmatig met zijn energie bij mij in huis of soms ook heel ergens anders. In het begin heeft hij me bijvoorbeeld ook vaak laten weten dat hij er nog is, toen ik naar de supermarkt ging. En in de auto. (Seintjes van overleden personen – Mijn speciale liedje. Contact na de dood (Deel 6).

Op een nacht liet hij de eerste keer van zich horen.

Het was geen droom.

De volgende ochtend heb ik het volgende opgeschreven. Een verslagje van het gebeurde en tegelijkertijd een briefje aan mijn papa:

Hoi pap,

ik liep door een donkere gang (in een soort van droom) met aan het einde helder licht. Aan het eind dacht ik aan jou en ik voelde me snel in de lucht getild. Alsof ik naar boven viel. Op dat moment werd ik mij bewust van een droom en tegelijk een wakker zijn. Ik vroeg op het moment dat ik de lucht in ging: “Pap, ben jij dat?”

Toen voelde ik onmiddellijk een enorm sterk tintelend gevoel in mijn borst en buik, een soort prikkelend, schrikachtig verliefdheidsgevoel, een soort wakker schrikken gevoel uit een droom, maar dan veel en veel sterker. Ik was wakker en zag met mijn ogen dicht jouw silhouet in wit afgetekend in mijn hoofd verschijnen, eerst alleen je hoofd, toen daarna leek het of je zat.

Daarna deed ik mijn ogen open om te kijken of ik je kon zien, maar dat was niet zo. Toen zei je: “Es, ga maar weer lekker slapen.” Ik hoorde je.

Ik droom vaker en ’s nachts weet ik veel nog wanneer ik erdoor wakker word, maar de volgende dag niet meer. Nu weet ik alles nog precies. Ik werd wakker en het was geen droom meer. Ook het begin dat op een droom leek, was geen droom.

Het gebeurde in een soort andere dimensie, in een andere staat van bewustzijn, die begon tijdens mijn slaap. En ik ontmoette jou daar. Van mijn droom vóórdat ik door die gang liep, weet ik zoals gewoonlijk niets meer.

Pap, ik zie je!

&

Zijn alle geloven gelijk? Niet geloven is ook een geloof

alle geloven gelijk
Verweven of verknipt?

Zijn alle geloven gelijk? Nee. Dat zijn ze niet. Zijn alle geloven dan hetzelfde? Nee. Dat zijn ze niet. Maar ze zijn ook niet totaal verschillend. Er zijn vele overeenkomsten. Maar ik wil juist ook niet zeggen dat degenen die een verschillend geloof belijden, juist veel overeenkomsten met elkaar hebben en dat ze veel gemeen hebben. Nee.

Je kunt ook onderscheid maken tussen religies en godsdiensten. Er zijn ook verschillen in de manieren waarop mensen hetzelfde geloof uitoefenen. Er zijn vele verschillen en ook vele overeenkomsten. De beleving van een geloof binnen een godsdienst is persoonlijk. Want het blijft geloof en het is geen wetenschappelijk bewezen theorie.

Ik wil niet alle geloven op één hoop gooien.

Religie is de bron van alle kwaad.

Is dat zo?

Soms zijn gelovigen of is religie een bron van een kwaad, maar niet altijd.

Gelovigen zijn beter dan niet-gelovigen en atheïsten en agnosten.

Is dat zo?

Soms zijn niet-gelovigen en atheïsten en agnosten een bron van een kwaad, maar niet altijd.

Mensen worden graag bevestigd in hun oordelen en vooroordelen.

Vaak kunnen mensen alleen maar hun eigen punt bekijken. Jouw idee van hoe de wereld in elkaar steekt, vormt jouw ego, jouw identiteit. 

Dat maakt jou jij.

Je geloof of je niet-geloof is ook een stukje of een groot stuk van je identiteit. Je idee van – ik – zou veranderen als je in iets anders zou gaan geloven.

Men maakt graag onderscheid tussen geloof en de fysieke wereld.

Men verdeelt alles graag in fysiek en spiritueel. Het leven bestaat uit die twee kanten: wetenschap en geloof.

Maar die twee kunnen ook prima naast elkaar bestaan, en dan bedoel ik met elkaar.

Een metafysische wereld is niet alleen voor de gelovige relevant. Ook zaken die niet waarneembaar zijn met onze zintuigen, kunnen interessant zijn voor niet-gelovigen en wetenschappers. Je kunt wetenschapper zijn en geloven.

Het zou mooi zijn als de wetenschap en het geloof wat vaker samenwerken.

Want ik denk dat ze niet zonder elkaar kunnen bestaan. Volgens mij zouden ze elkaar zelfs enorm kunnen versterken, op een positieve manier. Wanneer ze elkaar wat vaker serieus nemen.

Voor een wetenschapper die niet in een hiernamaals of iets dergelijks gelooft, zijn alle geloven misschien gelijk. Voor iemand die van kinds af aan volgens een bepaalde geloofstraditie is opgevoed, zijn alle geloven misschien verschillend.

Wie heeft er dan gelijk?

Voor mij blijft het tegelijkertijd een ingewikkeld verhaal.

Geen enkel geloof voldoet aan mijn geloof. Doe ik dan aan een soort niet-geloof? Nee. Wanneer ik besluit om in niks te geloven, kom ik er niet uit. Want voor mij is het wel zeker dat er meer is. Dat er veel meer is in dit leven en na dit leven, wat we met onze dagelijkse ogen en wetenschappelijke ogen niet kunnen zien. Er is wat mij betreft een heel andere wereld naast de wetenschappelijke wereld.

Noem het een spirituele wereld, noem het geloof, noem het een andere dimensie buiten de dimensies van ons dagelijks leven. Noem het de hemel of iets anders.

Maar ik vind in geen enkel geloof wat ik precies bedoel.

Ziel, bewustzijn, geest, chi, qi, spirituele energie.

Met respect voor ieders mening, overtuiging en geloof of niet-geloof, wil ik beweren dat al dit soort begrippen – uiteindelijk – ondanks de verschillen – uiteindelijk – een soort overlap hebben. Een kleine of een grote overlap. Dat wordt voor mij duidelijk in Contact na de dood (Deel 2).

En nee. Ik wil me ook niet als zijnde een nieuw soort geloof boven anderen uitsteken alsof ik dan gelijk zou hebben. Nee. Want dat kan dus niet.

Iedereen heeft recht op zijn eigen geloof en je kunt nooit precies begrijpen hoe dat voor een ander voelt.

Je kunt ook nooit helemaal de kern van alle geloven zo begrijpen dat je weet waar je het over hebt, wanneer je het hebt over het geloof van een ander.

Ik denk dat uiteindelijk iedereen die ergens in gelooft, gelijk heeft.

En ik denk dat degenen die nergens in geloven – hoewel dat ook weer een soort geloof is, dat je gelooft dat er niks is – want zeker weten we het allemaal niet – ook gelijk hebben.

Dat is iets heel anders dan beweren dat alle geloven gelijk hebben of gelijk zijn.

Volgens mij maakt het niet uit.

Ik bedoel niet dat alle geloven leiden tot dat Ene. Daarvoor zijn er teveel verschillen. En ik bedoel dus ook niet dat wat ik geloof, dat dat beter is dan de rest. Maar het kan dus niet zo zijn, dat een klein gedeelte van de mensheid gelijk heeft en de rest niet.

Het is ook een soort geloof – moet ik toegeven – maar ik geloof dat het niet uitmaakt wat je gelooft of niet gelooft. Een hemel of een verlichting of een hogere wereld of die oneindige dimensie is voor iedereen. Voor iedereen bereikbaar en ongeacht wat je gelooft of niet gelooft.

Als dat niet zo zou zijn namelijk, zou dat betekenen dat dat ene geloof of die ene religieuze stroming beter is dan die andere.

Het zou betekenen dat het ervaren van een hemel of een verlichting of een hogere wereld of die oneindige dimensie niet voor iedereen weggelegd is, omdat de kans erg groot is dat je niet met de zogenaamd juiste manieren in aanraking komt om dat te bereiken. Of omdat je die mogelijkheden niet hebt. Omdat je het verkeerde geloof hebt, of omdat je helemaal nergens in gelooft.

Onder je denken en onder je emoties, ben je bewustzijn op een veel dieper niveau. En dit bewustzijn is voor iedereen bereikbaar, ongeacht wat je gelooft of niet gelooft. Dit heb ik niet altijd beweerd, maar dit besef is ontstaan uit mijn eigen ervaringen.

Het is voor mij een gegeven en iets dat los staat van allerlei regels en voorschriften waar je je aan zou moeten houden en allerlei dingen die je wel of niet zou moeten doen, om dat bewustzijn te kunnen bereiken. Het is altijd aanwezig. In jou en in iedereen en om je heen.

Het zou betekenen dat de één gelijk heeft en de ander niet en dat wat die ene doet, beter is dan het andere.

Wat mensen doen en geloven om zoiets als oneindige vrede te vinden of contact te maken met een god, of om een soort hemel te bereiken, dat is voor de meeste mensen puur toeval.

Je wordt ergens geboren en krijgt iets mee.

Alleen de meest bevoorrechte mensen op de aardbol krijgen een kans zelf te kiezen.

Of soms worden ze zich ervan bewust dat ze iets anders zouden willen doen of geloven, maar kan en mag het niet. De keus van de mens is maar beperkt.

Dus wanneer dat ene geloof of die ene stroming en de daarbij behorende handelingen en inspanningen beter zou zijn dan al die andere, zou dat betekenen dat de rest van de mensheid nooit dat gelukkig zijn zou kunnen bereiken. 

En ik ben er van overtuigd dat dat onzin is.

Of je nou wordt geboren in een kartonnen doos naast de treinrails, of in een bed als prinses. Of je nou geld kunt uitgeven aan meditatieleraren en cursussen, of dat je naar de voedselbank moet en je geld voor andere dingen nodig hebt. En of je nou bidt voor Allah of voor God of voor Brahman, of voor niets, of voor iets anders.

Ik realiseer me goed dat wat ik beweer ook weer een soort van geloof is. Maar ik zeg niet dat mijn geloof beter is dan de rest, of dat ik er meer van begrijp dan anderen. Dit is gewoon hoe ik het zie. Je mag het met mij oneens zijn.

Ik ben ervan overtuigd dat het in jezelf zit. In iedereen.

Hetzelfde.

Die wijsheid, die oneindige rust, dat prachtige, dat zonder-pijn, dat licht, die oneindige liefde, dat paradijs, dat gelukkig zijn, die tevredenheid, die volmaaktheid, die liefde. Het zit in iedereen en het is datgene wat iedereen met elkaar verbindt.

Wat sommigen spontaan hebben gevoeld wanneer ze beweren God te hebben gezien, wat anderen ervaren na jarenlang mediteren volgens de boeddhistische beoefening, wat weer anderen ervaren in een bijna dood ervaring en wat weer anderen ervaren in andere bijzondere momenten, die met het verstand niet te verklaren zijn, dat zit volgens mij in iedereen.

Zonder iets af te doen aan jarenlange inspanningen en de ervaringen van iedereen afzonderlijk, en zonder afbreuk te doen aan de kunst van mediteren en met respect voor ieders mening en geloof of niet-geloof, wil ik beweren dat hetgeen mensen ervaren in dat soort bijzondere toestanden, hetzelfde is.

En dus ook voor iedereen bereikbaar is.

De vraag of alle geloven gelijk zijn of niet, staat daar los van. Ook al zou verlichting een bewustzijnstoestand zijn die je in je leven kunt bereiken en ook al zou de hemel een plek zijn waar je naar toegaat na je dood, toch is het volgens mij hetzelfde. Volgens mij is de hemel ook een staat van hoger bewustzijn. Of is verlichting waar je bent als je doodgaat. En tegelijk kan je er nu al zijn. Je gaat er niet alleen heen als je doodgaat, maar het zit in je. Je bent het al.

Het.

Voorbij de emoties en de lichamelijke toestanden en de gedachtes. En voorbij je geloof of niet-geloof. Je energie, je ziel. De liefde en innerlijke vrede, de goddelijkheid, de wijsheid, de hemel, hoe je het ook wil noemen.

Dat het zit in jezelf.

&

Je bent niet je gedachten – denk je

je bent niet je gedachten
Wie ben jij?

Je bent niet je gedachten, dat lees je overal. Wat betekent dat dan, dat je niet je gedachten bent?

Er is altijd een stemmetje in je hoofd. Of een filmpje, of allebei.

Je ontleent je gevoel van identiteit aan de identificatie met je gedachten.

Dat moet je dus niet doen.

Wat?

Dat stemmetje, dat ben jij niet. Dat filmpje, dat ben jij niet.

Steeds meer mensen kunnen niet stoppen met denken en hebben daar last van. Het denken houdt hen uit de slaap en het zit hun zelfbeeld en eigenwaarde in de weg. Het denken bezorgt hen stress.

Stress?

Je denken is een non-stop commentaar en een film zonder pauze in je hoofd. Een film die zich meestal alleen maar afspeelt in de toekomst of in het verleden.

Je gedachten gaan over de toekomst.

Het is een plannen maken en een fantaseren over hoe dingen moeten gebeuren en hoe dingen misschien zullen gaan gebeuren.

Wat zal ik doen?

Zal ik dat zeggen?

Hoe dan?

Of je gedachten gaan over het verleden.

Je denken bestaat uit het repeteren van dingen die geweest zijn. Het constant herhalen in je hoofd van wat die ene collega tegen je heeft gezegd, of je partner, of je moeder. Bedenken wat je eigenlijk terug had willen zeggen. Gedachtes over wat je beter had kunnen doen of willen doen.

Achter het stuur in de auto.

In de trein.

In de rij bij de kassa.

Als je niet echt iets te doen hebt, of wanneer je iets doet wat je automatisch kunt, gaat je hoofd denken en je kunt er niet vrijwillig mee stoppen.

Je gedachtes bestaan ook vaak uit oordelen.

Het denken is voortdurend commentaar op alles en iedereen om je heen. Oordelen over jezelf of over anderen. En dan meestal ook nog negatieve oordelen.

Je gedachtes zijn vaak non stop in de weer.

Bij jou niet?

Probeer maar niets te doen en tegelijkertijd aan niets te denken.

En?

Je denken gaat vrijwel automatisch. Daarom ontleen je je identiteit eraan. Het is een stukje van wie jij bent. Tenminste dat denk je. En dat is grappig en tegelijkertijd helemaal niet grappig, omdat het voor veel problemen kan zorgen.

Je bepaalt toch zelf wat je doet?

Descartes maakte een onderscheid tussen ons denken en ons lichaam. Je lichaam is volgens hem te zien zonder gedachten of wil. Het denken is volgens hem daarentegen vrij en bewust van zichzelf. Ons eigen verstand is volgens Descartes het startpunt van kennis. Hij zegt: 

Ik denk, dus ik ben. (Cogito ergo sum.)

Dus je denken is vrij?

We zijn er net achter dat je niet kunt stoppen met denken.

In ieder geval niet voor lang.

Steeds meer mensen hebben daar zoveel last van dat ze problemen krijgen die hun functioneren belemmeren. Stress. En dat zorgt weer voor meer denken. Het is een draaikolk waarin je steeds dieper vast kunt komen te zitten.

Het denken is dan niet vrij en bewust van zichzelf.

Je denkt, dus je bent?

Nee joh.

Sorry Descartes, maar ik ben het niet met je eens. Misschien trek ik je woorden uit hun verband, wat het ligt natuurlijk gecompliceerder dan dat.

Zijn zonder denken.

Je kunt ook heel goed zijn wanneer je niet denkt. Als je denkt, ben je juist wel van alles, maar je bent niet echt. Niet aanwezig met wat je doet of waar je bent.

Je bent niet je gedachten.

Want wanneer je denkt, ben je dus meestal bezig met iets in de toekomst of met iets in het verleden of met oordelen.

Ook als je niet denkt, ben je.

Je bent zelfs meer dan ooit.

Je bent meer jezelf dan ooit.

Juist zonder al die gedachten, die je een schijnwerkelijkheid geven.

Je moet ergens bij horen, je moet een mening hebben, een overtuiging, je moet overal iets van vinden, je moet je op een bepaalde manier kleden, je doet je op een manier voor. En over al die dingen – en nog meer – heb je gedachten.

Zonder die gedachten ben je niemand – zou je denken.

Houdt denken jou uit de slaap?

Beïnvloeden jouw gedachten je functioneren?

Sleept denken je mee in fantasieën die niet leuk meer zijn?

Je bent niet je gedachten.

En je bent je denken niet.

En toch weer wel.

Je denkt dat je denken alles is wat je bent. Dat je zonder denken niet bent wie je bent.

Denk daar maar eens over na.

Of juist niet, als dat lukt.

&

Ruzie over geloof – is wat jij gelooft beter dan de rest?

ruzie over geloof blessed gezegend
Gezegend

Ruzie over geloof is heel normaal. Althans zo lijkt het. Voor veel mensen is God of hun geloof erg belangrijk, voor veel mensen niet zo erg belangrijk en voor veel mensen totaal onbelangrijk. Je persoonlijkheid krijgt vorm door je geloof – soms heel erg en soms wat minder en soms weinig. Want wat je gelooft en wat je niet gelooft, bepaalt voor een deel wie je bent. Wie je denkt dat je bent. Maar je bent je denken niet.

Hoezo ruzie over geloof?

Religie zorgt bijvoorbeeld dat je ergens bijhoort. Maar als de ene groep vindt dat hun God of hun geloof beter is dan die van de andere groep, kan er geruzie komen. Mensen hebben het vaak nodig, het gevoel dat ze ergens bij horen. Het gekke is alleen dat iedereen gelijk heeft.

Het is belangrijk te weten dat het ene niet beter of slechter is dan het andere.

Elk geloof is goed.

En ook niets geloven is goed. Maar niemand is de beste.

En daar gaat het vaak mis.

Er wordt enorm veel ruzie gemaakt over geloof.

Hoe kan het toch dat zoveel mensen vinden dat hun idee, hun geloof, hun overtuiging, hun God de beste is?

Wanneer ik met 25 graden klaag dat ik een vreselijke hekel aan die hitte heb, me te pletter zweet en me traag voel en ellendig en ik letterlijk opzwel, heb ik gelijk. Mijn gevoel en overtuiging zijn precies zoals het is. Het is bloedheet.

Het is waar.

Maar wanneer mijn oom en tante uit Afrika in de zomer een paar weken op vakantie zijn in Nederland, vinden zij het onvoorstelbaar koud. Met dezelfde 25 graden lopen zij te bibberen en hebben dikke truien en winterjassen aan. Ze hebben gelijk. Hun overtuiging en gevoel zijn precies zoals het is. Het is ijskoud.

Het is waar.

Ik heb gelijk. Zij hebben gelijk. We hebben allebei gelijk.

Een simpel voorbeeld, maar zo gaat het de hele dag door.

Iedereen heeft vanuit zijn of haar visie altijd gelijk.

Het is zinloos om daarover ruzie te maken.

En toch doen we dat.

We maken zelfs ruzie over de temperatuur. De één vindt het koud in huis en wil de verwarming op 24, zelfs ’s nachts. De ander vindt dat heet en wil de verwarming op 18. En ’s nachts uit.

Het gaat hier over dezelfde omstandigheden en een verschillend gevoel daarover. Dat kan al voor problemen zorgen, omdat iedereen het prettig wil hebben en mensen de zaken geregeld willen hebben op hun manier. Op de manier die zij het beste vinden.

Inleven in een ander kunnen we wel, maar is moeilijker naarmate het idee van de ander verder van ons eigen idee afstaat.

We maken ruzie over ons geloof of dat van een ander.

Eigenlijk gaat het nergens over, en toch willen mensen gelijk krijgen. Onze voetbalclub is de beste. Onze politieke partij is beter dan alle andere.

Onze God is de beste.

Over niets wordt zoveel ruzie gemaakt als over geloof.

Ik denk ook dat ik het beter weet.

En toch weet ik dat iedereen gelijk heeft.

Jij hebt gelijk.

Elk geloof heeft gelijk. Als je dat gelooft, heb je gelijk. Als je niets gelooft, heb je ook gelijk. Maar ik wil mezelf niet boven de rest stellen. En toch kan het op sommigen zo overkomen, dat ik dat doe. In feite doe ik dat ook. Want in feite doet iedereen dat.

Een geloof is een geloof.

Zelfs wanneer iets wetenschappelijk bewezen is, kan je daar een mening over hebben. En wetenschap of feiten zijn altijd gekleurd door meningen of subjectieve metingen of subjectieve inbreng. Een objectieve meting kan niet bestaan zonder een persoon, die in feite altijd subjectief is en invloed uitoefent op die meting of het meetinstrument. Hoezeer we ook ons best doen objectief te zijn.

Betrouwbaarheid en validiteit zijn ook maar bedacht door mensen.

En worden door vele factoren beïnvloed waar we helemaal geen invloed op hebben of waar we geen weet van hebben. Ook al denken we graag van wel.

Is mijn mening.

Voor de duidelijkheid: ik bedoel niet dat alle wetenschap onzin is. Integendeel. Maar we weten meer niet dan wel.

We maken graag onderscheid tussen feiten en meningen en hypothesen en theorieën.

Maar het blijft een zoektocht die nooit eindigt.

Feit is dat het regent. Mening is dat je de regen fijn of irritant vindt.

Maar wanneer regent het?

Wanneer spreken we van regen? Hoe groot of klein moeten de druppels zijn wanneer we spreken van regen? Miezert het of mist het? Of is het gewoon vochtig? Regen is wanneer de druppels vallen. Maar wanneer vallen ze? Valt de mist niet naar beneden? Dat is nog niet zo simpel, al lijkt het begrip regen heel duidelijk.

Feiten of meningen lijken duidelijk te onderscheiden, maar zijn dat niet altijd.

Er is dus ook een verschil tussen weten en geloven.

Mensen die niet in een God geloven, weten zeker dat God niet bestaat. Ik kan God niet zien, er is geen wetenschappelijk bewijs voor dat er een God bestaat en daarom is het dus niet mogelijk dat er een God is.

Klopt.

De mensen die wel in een God geloven, weten ook dat ze gelijk hebben. Het maakt helemaal niks uit dat er geen bewijs is voor God, want als je gelooft heb je geen bewijs nodig.

Klopt.

Soms zelfs weet je iets, zonder dat er bewijs voor is en is het ook iets anders dan geloof. Voor mij is leven na de dood geen geloof, maar een weten, terwijl dat officieel niet kan. We weten soms dingen, hoewel het geen feit is en ook geen mening.

Dus iedereen heeft gelijk.

Maar omdat iedereen gelijk heeft, en ook gelijk wil hebben, ontstaat er vaak ruzie.

Gelovigen, ongelovigen, moslims, christenen, hindoes, joden, boeddhisten en vele anderen, werken elkaar tegen. Er worden mensen kwaad gedaan.

En waarom?

Omdat iedereen gelijk heeft.

En hetzelfde is.

Snap jij het?

&

Je masker afzetten hoeft helemaal niet

je masker afzetten
Wat zijn jouw maskers?

Je masker afzetten? We dragen maskers, zelfs wanneer we denken dat we onszelf zijn. Tegenwoordig word je vaak aangemoedigd om je masker af te zetten en jezelf te zijn. Maar de meeste maskers die we dragen, zijn heel gezond en heel normaal. Sommige mensen willen eindelijk hun masker afzetten, omdat ze zich verschuilen achter een masker en doen alsof ze heel anders zijn dan in werkelijkheid. Ze zijn onbewust of bewust bang dat anderen hun ware ik niet zullen waarderen. Maar ook mensen die wel zichzelf durven zijn, dragen maskers.

Iedereen draagt maskers.

Dat is normaal en we zijn het ons ook vaak niet bewust. Behalve wanneer iemand geen masker draagt terwijl de rest dat wel doet. Dan vinden we dat vaak raar en ongepast.

Jezelf zijn en je masker afzetten. Dat klinkt makkelijker dan het is.

Want ook wanneer je jezelf bent, leven we in een samenleving waar het niet altijd als gepast wordt gezien, wanneer we helemaal onszelf zijn. Er zijn regels en omgangsvormen die ervoor zorgen dat mensen ook maskers dragen wanneer ze denken dat ze zichzelf zijn.

Je kunt en hoeft namelijk niet altijd helemaal jezelf te zijn.

Je masker afzetten hoeft dus helemaal niet.

Wanneer je dat wel zou doen, echt helemaal altijd jezelf zijn, word je als raar bestempeld. In een hokje niet-normaal gezet. En het zou ook gewoon niet prettig zijn. Niet voor jezelf en niet voor anderen.

Er zijn bepaalde regels nodig om te zorgen dat mensen weten hoe ze zich tot elkaar verhouden. Maar daarnaast gaat het afzetten van je masker niet zo makkelijk, zelfs niet als je het zou willen.

Je masker afzetten is moeilijk.

Vaak dragen we zelfs meerdere maskers.

Op verschillende manieren verdedigen we onze persoonlijke ruimte. Een daarvan is het ons verbergen achter een masker. Je wordt namelijk als behoorlijk gek, bijzonder en opvallend beschouwd, wanneer je laat zien hoe je je werkelijk voelt.

Ik had vreselijk veel verdriet toen mijn vader dood was.

En ik zat een aantal keer jankend op de fiets, omdat ik m’n tranen niet kon tegenhouden. De mensen die ik tegenkwam onderweg, keken me aan alsof ik niet goed snik was. En dat terwijl ik als een normaal mens verdriet had. Het rare was alleen dat ik het liet zien in het openbaar, wat dus niet gebruikelijk is.

Je gezichtsuitdrukking en je lichaamshouding hou je in de plooi en je laat je ware gevoelens vaak niet tot uitdrukking komen. Meestal niet.

Er is een bepaalde norm waar je aan wil voldoen.

Waar mensen in het algemeen aan willen voldoen. Vroeger waren de eisen aan je uiterlijk bijvoorbeeld hoger dan nu, maar ook tegenwoordig doen mensen mee met de mode. En ook wanneer je niet meedoet met de mode, heb je een manier van kleden die bij jou past. Want ook je kleding is bijvoorbeeld een masker.

Er zijn altijd eisen in de maatschappij waar je aan behoort en probeert te voldoen. Iedereen weer op zijn eigen manier, maar wel binnen hetgeen als normaal wordt beschouwd.

Je stapt bijvoorbeeld niet in je pyjama in je auto om naar je werk te gaan. Ook niet wanneer je je eigenlijk ziek voelt, maar toch gaat werken.

Het gezicht dat je aan de buitenwereld laat zien, is zelden je ware gezicht.

Ik heb het dan wel over volwassenen. Kinderen leren algauw maskers te dragen, maar zijn veel vaker nog puur. Kleine kinderen en baby’s hebben nooit een masker op, want het is iets dat je leert naarmate je opgroeit.

Kleine kinderen hoeven hun masker niet af te zetten.

Ze mogen keihard huilen in het openbaar bij verdriet of pijn.

Kleine kinderen hebben ook nog geen verzorgd masker.

Van de doorsnee burger in onze maatschappij wordt verwacht dat hij of zij verzorgd in het openbaar verschijnt.

Je realiseerde je misschien niet dat dat een masker is, maar dat is het wel degelijk.

De verwachtingen over wat verzorgd precies is, verschillen in de geschiedenis. Maar bijvoorbeeld een zwerver voldoet niet aan die algemene verwachting. Je verschijnt in het openbaar met nette kleding, of modieuze kleding die juist expres niet netjes is, met een verzorgd kapsel en schoon gezicht.

Een verzorgde kleuter?

Snot.

Pindakaas.

Wanneer je in een kleuterklas komt kijken aan het eind van de middag, zitten er monden en wangen vol chocopasta. Er hangen snottebellen aan neuzen en er zijn groene klodders uitgesmeerd over wangetjes. Er zitten melkvlekken op truien en er zit pindakaas en modder aan vingertjes. Vlechten en staartjes zijn uitgezakt en ’s ochtends gekamde haartjes zitten door de war.

Hoogstwaarschijnlijk is er ook nog het één en ander uitgesmeerd op de wc.

Met een beetje geluk wel handjes gewassen, maar gevolgd door een sliert wc papier. En met een spoor achterlatend over de vloer, van de wc tot aan de vloer bij de kraan, met daarnaast een spoor in hun onderbroek en op de bril.

Bij de kinderen geen enkele schaamte.

Soms wordt er hard om juf geroepen vanuit de wc. Hoewel kleuters worden geacht voor zichzelf te kunnen zorgen op dat vlak wanneer ze naar school gaan, is dat in de praktijk vaak anders. Juf wordt regelmatig gevraagd om billen af te vegen.

Sommige juffen begeleiden de kindertjes dan in het zelf te doen, maar er zijn ook juffen die de poepkont zelf schoonmaken.

Voor sommige volwassenen is zelfs thuis hun masker nodig in dat soort gevallen.

Als je per ongeluk in je broek hebt gepoept, ga je echt niet je baas roepen. Als het thuis zou gebeuren en je woont vijftien jaar samen met je partner, zou je die misschien nog wel om hulp durven vragen. Maar voor sommigen is ook thuis hun masker nodig. Zelfs thuis kunnen ze dan niet volledig zichzelf zijn.

Wel netjes handen gewassen na je toiletbezoek? Dat schijnen veel volwassenen trouwens over te slaan. Dat doen de kleuters beter. Maar die vinden vooral het kledderen met water en zeep fijn en het is niet zozeer de verzorging waar ze het om doen.

Jij veegt je groene snottebel niet weg over je wang waar ie blijft plakken.

En wanneer je dat wel doet in het openbaar, vindt iedereen jou raar.

Dus dat is je verzorgde masker.

Heb jij geluncht op je werk of thuis, dan controleer je daarna in de spiegel of er nog resten in je baard hangen of dat er misschien brood tussen je tanden zit. Je doet effe je haar goed. Wanneer je morst met koffie, probeer je de vlek weg te werken. Misschien heb je zelfs wel een extra overhemd mee voor noodgevallen wanneer je nog onberispelijk naar een klant moet.

En je glimlacht.

Je glimlach is niet alleen een teken van tevredenheid, maar ook een manier om onszelf te verdedigen of om onszelf te excuseren.

Je glimlacht wanneer je iemand vriendelijk bedankt voor iets dat je niet wil. Je glimlacht naar de persoon in het bushokje. Sorry, maar ik wil hier ook graag zitten. Als je per ongeluk tegen een vreemde aanbotst met de winkelkar, glimlach je vriendelijk. Neemt u mij niet kwalijk, dat was niet mijn bedoeling.

Je glimlacht terwijl je in gedachten allerlei negatieve oordelen over anderen hebt. Je glimlacht, maar roddelt achter ruggen.

Tenminste de nette mensen doen die excuserende of verbergende glimlach. Je ziet hem niet bij iedereen. Het ene masker zit strakker dan het andere.

Je glimlacht ook om je gevoelens niet te laten zien.

Maar ons lichaam vertelt vaak meer dan dat we vertellen of willen vertellen. Je lichaam kan minder goed liegen dan jij, ook wanneer je wel een masker draagt.

Hoe gaat het?

Goed hoor. Jij?

Prima.

Z’n gangetje.

Ja lekker. Lekker.

Wat als je dit zou zeggen? Of horen?

Ik voel me hondsberoerd. Elke avond zuip ik me te pletter want ik voel me zo eenzaam. Ik kan geen vriendin vinden en ze vragen me zelfs of ik soms homo ben.

Dat non stop gekrijs van die baby, ik kan er niet meer tegen. Ik denk dat ik wil weglopen en iedereen wil achterlaten. En ik wilde dat kind niet eens.

Zucht. Ik heb al een paar keer bij het spoor gestaan. Iets hield me tegen maar eigenlijk weet ik niet wat. Want het helpt allemaal niks. Ik weet niet meer hoe lang ik depressief ben en ik zie er niks meer in.

We glimlachen.

Met kiespijn. Of echt, want het kan natuurlijk ook zo zijn dat je je echt prima voelt. Of z’n gangetje. Maar wanneer we ons slecht voelen, zetten we vaak een masker op. Het hoeft natuurlijk niet, maar waarom zou je aan iedereen alles vertellen?

Het is heel gezond om dingen privé te houden.

Vele mensen zitten op sociale media en dragen daar een soort digitaal masker. Dat is weer het andere uiterste.

Want de meesten zetten alleen maar de beste en gelukkigste plaatjes op het internet. Van zichzelf en ook nog van hun kinderen. Of soms staat er bewust eens een foto met tranen tussen, maar ook dat is het masker dat je wil laten zien. Het masker dat je opzet voor iedereen die jouw vakantiefoto’s of de foto’s van je kinderen bekijkt.

In sommige gevallen worden de maskers zachter of schijnt er iets van de ware jij doorheen.

Heel soms gaat je glimlach masker eventjes echt af.

Bij bepaalde personen kan je wel vertellen hoe je je voelt, of in ieder geval een beetje. Soms kun je zeggen hoe het nou echt gaat. Gewoon op straat aan de buurvrouw. En dat moet ook kunnen.

Je masker afzetten hoeft niet, maar mag wel. Als het goed voelt.

En dat is fijn. Want overal is wat en iedereen is hetzelfde. Niemand is perfect en we willen allemaal gelukkig zijn. We denken soms dat het bij anderen wel perfect gaat, juist door de maskers. Je masker is een bescherming die je soms nodig hebt en dat is normaal. Maar probeer er eens doorheen te kijken, bij jezelf en bij een ander.

Het glimlachende masker is in de loop der jaren volgens mij wel minder strak geworden, maar veel mensen dragen het nog. Let maar eens op.

Er zijn nog meer maskers.

We hebben bijvoorbeeld feestgezichten.

Al eens iemand verdrietig of sip op een feestje gezien? Het kan, maar dan viel dat wel op. Wanneer je naar een feestje gaat, trek je vaak letterlijk je feestkleren aan en zet je je vrolijke gezicht op.

We hebben begrafenisgezichten.

Natuurlijk ga je misschien kapot van verdriet en is dat op dat moment je ware gezicht, maar dat geldt niet voor iedereen op een begrafenis. Veel mensen komen uit respect of medeleven voor een ander. En ook wanneer je je op dat moment dan stapelverliefd voelt en dolgelukkig, laat je dat niet zien op die begrafenis.

Je zet je begrafenisgezicht op. Je masker.

En je masker gaat verder dan je gezicht.

Het dragen van een masker of het afzetten daarvan, gaat over je hele lichaam.

Je kleding is ook een masker.

En je lichaamshouding.

Hoewel het overeenkomsten heeft, moet je maskers niet verwarren met rollen die je hebt. Want juist tijdens een rol draag je verschillende maskers, die dan weer hetzelfde kunnen zijn in een andere rol. Je rol als vader is een heel andere, dan je rol op je werk. Je moederrol is een andere, dan je rol op een avondje uit met een vriendin op stap. Maar je masker kan hetzelfde zijn tijdens verschillende rollen.

Ben jij je bewust van de maskers die je draagt?

&

Oordelen over anderen – de gulden regel?

oordelen over anderen
Oneindig gulden regel

Oordelen over anderen doet iedereen. Soms positief maar vooral ook vaak negatief. En het gaat veel verder dan mooi, of lelijk, wat dom, of aso.

Hoe kan zij nou een burn out hebben, ze doet toch niks?

Je vindt het zelf vervelend of zelfs diep kwetsend wanneer iemand een negatief oordeel over je velt, want het is meestal iets persoonlijks dat je zo raakt. En diegene weet er meestal ook niets vanaf, anders zou dat oordeel namelijk niet zo ongenuanceerd zijn. Juist ook wanneer het wel doordacht en genuanceerd is, kan zo’n oordeel hard aankomen.

Toch doe je het zelf ook.

En de gulden regel of de gulden leefregel, die kent ook iedereen. ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Bijna iedereen zal beamen dat het een prima regel is en dat we graag willen dat het zo gaat. Maar in de praktijk blijkt het behoorlijk moeilijk.

Vaak gaat het gewoon prut.

Het lijkt wel of negatief oordelen over anderen de gulden regel is.

Misschien sla je nooit iemand of voer je geen oorlog, of misschien ben je altijd beleefd en doe je niemand kwaad. Maar ook als we niet lelijk doen tegen anderen, of niet lelijk praten over anderen, dan denken we wel lelijk. We oordelen negatief over anderen.

Oprotten idioot. Heb je geen rijbewijs ofzo. Wat kom jij nou opeens 80 voor me rijden dan. Blijf dan rechts.

Serieus. Dat kind is één en ze heeft ‘m nog steeds aan de borst.

Als je naar de voedselbank moet, neem je toch geen drie honden.

Doe dan een bh aan.

Hoezo draagt dat kind van zes een hoofddoek; natuurlijk, de wil van God?

Jeetje, wat heeft die dan?

Gewoon de kak van je hond laten liggen voor de ingang van de supermarkt? ASO

Kijk hem dan. Sport Billy.

Kaas? Dat laat je je kind toch niet trakteren op school.

Behandel de mensen zoals u door hen behandeld wilt worden.

De gulden regel kent vele variaties, zowel oude als nieuwe formuleringen. In bijna elke godsdienst kom je de leefregel tegen, hoewel de aanhangers van elke godsdienst afzonderlijk vaak denken dat de uitspraak typisch is voor hun eigen godsdienst.

Je komt de gulden regel tegen in bijna elke godsdienst.

Hindoes, boeddhisten, islamieten, christenen, joden en vele anderen; allemaal kennen ze deze regel. Ook niet-gelovigen proberen volgens de gulden regel te leven.

Kinderen op openbare scholen krijgen de regel mee en eigenlijk iedereen heeft er wel eens van gehoord.

Bekende profeten en wijsgeren in de wereldgeschiedenis hebben het over de gulden regel. Overleveringen in heilige geschriften, in religieuze en filosofische teksten van over de hele wereld laten in feite dezelfde tekst zien.

Bemin uw naaste zoals uzelf.

Wat in jouw ogen niet goed is, doe dat je medemensen niet aan. Wat jij wilt dat jou de mensen altijd doen, doe dat bij allen.

Behandel anderen zoals je door hen behandeld wil worden.

Wat mij niet aangedaan moet worden, wil ik ook andere mensen niet aandoen.

Wat bij u weerzin oproept, doe dat uw medemens niet. Zo is de wet: al het overige is toelichting.

Wens de mensheid wat je voor jezelf wenst.

Helaas.

Bijna niemand slaagt erin hem in praktijk te brengen.

Dat wensen misschien nog wel. Dat iemand voor een ander wenst wat hij voor zichzelf wenst. Maar het doen is toch echt een ander verhaal. En wanneer je een uiterst beheerst persoon bent, is het doen voor jou misschien soms weggelegd. Maar wanneer het op denken aankomt?

Wees eens eerlijk. Eerlijk naar jezelf.

Je probeert het wel waarschijnlijk. Bij de meeste mensen zal dat wel zo zijn. Maar het mislukt vaak.

De mens is een emotioneel wezen.

Emoties en op hol geslagen gedachten nemen de overhand. Je handelt vaak niet bewust. In ieder geval meestal niet wanneer je emoties het van je overnemen. Een persoonlijke kwestie die je raakt en bam. Fout. Een beetje of veel te weinig slaap en daar gaat het mis.

Misschien mediteer je of je bidt en je voelt je over het algemeen rustig. Je bent begaan met je medemens of je doet elke dag yoga, of je voelt je lekker relaxed met je muziekje of je kopje thee.

Maar dan stap je in je auto en je wordt afgesneden op de snelweg. Of er duwt iemand achter op je bumper. Een vrachtwagen gaat zonder pardon naar rechts terwijl jij daar rijdt.

Dan is het gedaan met de gulden regel.

Bemin uw naaste zoals uzelf?

Niks hoor. Schelden.

Middelvingers omhoog.

De wat rustigere mensen onder ons zullen het misschien beschaafd houden, maar inwendig stijgt de temperatuur.

Inwendig gescheld dan? Of wensen we die wegpiraat op dat specifieke moment echt een hoop liefs en goeds?

Misschien in tweede instantie, als je bij jezelf opmerkt dat het zinloos is en dat je niet zo wil zijn. Je kunt je voorstellen dat diegene je echt niet gezien had toen hij opzij ging. Of je probeert je voor te stellen dat die auto die jou bijna vooruit duwt, een vrouw achterin heeft die op het punt staat een kind te baren.

De meesten van ons zullen in hun eerste reactie een negatief oordeel vellen.

Je emotie neemt het over en je handelt niet bewust.

Of het gaat veel vaker mis. Zonder grote emoties.

Oordelen over anderen gebeurt aan de lopende band.

In het dagelijks leven vind je dingen stom, lelijk, of raar. Irritatie maakt zich meester van je. Je maakt verwijten. Je bent boos op iemand of iets. Je ergert je aan zaken. Of je bent ongeduldig. Omdat je op tijd naar je werk moet, schreeuw je naar je kinderen die zo traag zijn. Ze luisteren niet naar je. Of stiekem ben je jaloers. Iemand doet altijd vet irritant of snapt er absoluut niets van. En met die moet jij samenwerken. Je maakt ruzie. Je vindt dingen oneerlijk.

Het is echt te gek voor woorden. Dus.

Boontje komt om zijn loontje. Eigen schuld dikke bult.

Soms nemen we wraak. Of misschien niet echt, wanneer we weer gekalmeerd zijn, maar we denken het wel. Al is het maar een moment.

We verdedigen onszelf. En ons ego.

We verdedigen onze identiteit.

Want we willen een soort van winnen. Gelijk krijgen. Ons goed voelen over onszelf, ten koste van de ander. We roddelen soms met anderen, maar we roddelen vooral met onszelf. Oordelen over anderen zijn meestal negatief.

We zeggen of denken negatieve dingen over anderen.

Geef dat kind nou gewoon wat hij wil, dan houdt ie tenminste op met dat gejank.

Tsja als je dat kind altijd zijn zin geeft, blijft ie overal om janken.

Tsss. Snapt die het zelf wel helemaal.

Doe jij dat nooit?

Ik wel. Ook al merk ik het vaak onmiddellijk op wanneer ik het doe. Ik oefen ermee namelijk. Maar gebeurd is gebeurd. Een lelijke of oordelende gedachte is er zo uitgefloept. Vanzelf. Per ongeluk.

Dus waar krijg jij braakneigingen van? Wat vind jij vreselijk irritant? Wie vind jij er echt niet uitzien? Wat vind jij belachelijk?

Betrapt.

Kwets anderen niet op een manier die u kwetsend zou achten voor uzelf.

Iedereen doet het. Het gaat onbewust.

Maar als je het kunt opmerken, is dat hopelijk het echte begin van de gulden regel. De gulden leefregel die bijna iedereen prima vindt, maar die oh zo moeilijk uit te voeren is. Ook wanneer we hartstikke ons best doen.

Nou het begon leuk dit blogbericht, maar uiteindelijk ging het nergens over, zonde van m’n tijd. Wat een kont verhaal.

Ja leuk dit. Ga ik wat mee doen. Positief omdraaien als ik het merk, of helemaal niet oordelen. Moeilijk hoor. Ach nou doe ik het ook. Stom zeg. Oh alweer. Nou gelukkig gaat dit over mezelf.

Naastenliefde.

Begint het met liefde voor jezelf?

&

Leven na de dood bestaat. Dat weet ik zeker. Contact na de dood (Deel 2)

Leven na de dood, geïllustreerd door een detailfoto van twee notenbalken met drie maten waarin de toon drie maten wordt vastgehouden, waaronder de tekst met de hand geschreven: 'you.'
Je bent er nog

Leven na de dood bestaat en dat weet ik zeker. Het duurde een tijdje voordat ik er echt van overtuigd was, van het idee dat je ziel blijft bestaan na je fysieke dood. Je ziel, of je geest of spirituele energie of hoe je het ook wil noemen. En er is er ook contact mogelijk met die ziel: Contact na de dood (Deel 1). De eerste keer dat ik merkte dat mijn vader er nog is, lees je in Contact na de dood (Deel 3).

Ziel? Of geest? Dat zijn toch twee verschillende dingen?

Wanneer je een woord gaat opzoeken, dat het wat blijft bestaan, zou moeten omschrijven, betekent niets eigenlijk precies wat ik bedoel.

Ziel niet helemaal. Geest is niet allesomvattend. Bewustzijn is het ook niet precies.

Chi is toch ook iets anders. Spirituele energie heel misschien, maar dat vind ik dan weer zo’n wazige en moderne uitdrukking, alsof het om iets nieuws gaat. Maar voor zover we kunnen terugkijken, hebben mensen altijd gesproken over zoiets.

Soms omvat een bepaald begrip in de ene overtuiging of leer ook iets anders dan in de andere.

Er is voor mij niet echt een naam voor. Dat komt grotendeels doordat ik er geen geloof aan hang. Maar ook omdat er volgens mij geen woord voor is, geen woord dat niet wordt gekleurd door een soort geloofsovertuiging of een wetenschappelijke benadering.

Ziel, bewustzijn, geest, chi, qi, spirituele energie.

Met respect voor ieders mening, overtuiging en geloof of niet-geloof, wil ik beweren dat al dit soort begrippen – uiteindelijk – ondanks de verschillen – uiteindelijk – een soort overlap hebben. Een kleine of een grote overlap.

Hoe kunnen alle mensen over de hele wereld het hebben over iets, waar overal een andere naam voor is, of waar andere namen voor zijn, waar sommige begrippen samen worden gebruikt of juist apart, waar de één met hetzelfde begrip iets anders probeert te omschrijven dan de ander, terwijl er – uiteindelijk – hetzelfde mee wordt bedoeld?

De essentie.

Uiteindelijk is de essentie van wat we allemaal bedoelen en/of geloven, hetzelfde, volgens mij.

Hetzelfde.

Iets Ziel-igs. Iets Bewustzijn-achtigs. Iets Geest-igs. Iets Energie-achtigs. Iets Chi-igs. Iets Spiritueel-achtigs.

Ik bedoel dus datgene wat onsterfelijk is.

Je wordt geboren, je sterft.

Maar datgene wat jou diegene maakt, leeft verder. Ergens anders, in een andere dimensie, en tegelijkertijd gewoon hier. Naast je.

Het duurde even voordat ik het zelf kon geloven, terwijl ik het zeker wist.

Dat wil zeggen; mijn gevoel wist het zeker. Maar mijn verstand sputterde tegen. Mijn verstand zei dat het helemaal niet kon en zocht naar allerlei andere verklaringen.

Ik dacht dat mijn verstand betrouwbaarder was dan mijn gevoel.

Veel mensen zijn geneigd in de eerste plaats hun verstand te gebruiken. En dan op zo’n manier dat ze hun gevoel als het ware ondergeschikt maken. Ze zijn het niet meer gewend om naar hun gevoel te luisteren.

Ik had daar ook last van. En daar heb ik nog steeds vaak last van.

Je verstand is belangrijk en handig.

Tot op zekere hoogte is je verstand erg bruikbaar. Maar wanneer je niet meer op je gevoel kunt of durft te vertrouwen, heeft je verstand de overhand gekregen. En wordt je gevoel overschaduwd; vaak of meestal of zelfs helemaal.

We zitten veel te vaak en te veel in ons hoofd.

Maar de meeste dingen kunnen niet met je verstand verklaard worden. Of opgelost.

Er wordt wetenschappelijk onderzoek gedaan. Alleen dan kun je dingen bewijzen.

We zijn tegenwoordig gewend om alles te willen verklaren. Om voor alles een bewijs te willen hebben. En voor sommige dingen is dat erg handig. Als je een medicijn slikt tegen een ernstige ziekte, is het fijn wanneer bewezen is dat het werkt. En dat je enigszins duidelijk hebt wat voor bijwerkingen je kunt verwachten.

Maar contact na de dood?

Mijn verstand wilde graag bewijs. Wetenschappelijk bewijs voor die vreemde gewaarwordingen die ik steeds had.

Nieuwe gevoelens. Een – soort van – dromen. Toevallige gebeurtenissen. Zijn stem die ik een paar keer gehoord heb, maar anders dan in mijn gedachten of herinnering en anders dan hardop zoals ik jouw stem zou horen als je tegen me zou praten. Zelfs fysieke ervaringen – ik voelde hem naast me op de bank.

Dat is nogal vaag. Voor velen. Klopt.

Contact na de dood is niet wetenschappelijk bewezen. Dus kan het niet waar zijn.

Er moet een andere verklaring zijn voor die gewaarwordingen.

Wanneer je dat denkt, is het je verstand dat aan het woord is. Je hersens willen het snappen. Er moet bewijs komen.

Omdat het idee van het voortbestaan van je ziel of geest bijvoorbeeld niet past in het beeld dat jij van de dood hebt. Of omdat het niet past binnen de geloofsovertuiging waarmee je bent opgegroeid. Of omdat het niet te plaatsen valt binnen het geloof dat je nu bewust aanhangt. Omdat het niet past binnen jouw idee van hoe het in elkaar zou zitten. Iedereen heeft zijn eigen geloof, gedachtes of ideeën.

Het paste ook niet bij mij.

En tegelijkertijd kon ik er niet omheen.

Want het was zo.

Mijn verstand zocht verklaringen om mijn gevoelens en het idee van een leven na de dood de grond in te boren.

Mijn verstand zocht ook naar verklaringen om het idee van een leven na de dood te bevestigen.

Het lastige aan deze materie is dat het – nog – niet echt wetenschappelijk bewezen is.

Wat is bewijs?

Voor een wetenschappelijk onderzoek heb je een vraag nodig die je wilt bewijzen. Dat heet een hypothese of onderzoeksvraag. Bijvoorbeeld de vraag of er contact mogelijk is na de dood. Wanneer deze vraag in verschillende experimenten bevestigd wordt, heb je een theorie.

Een getoetst model ter verklaring van waarnemingen van de werkelijkheid. Dus dan heb je daarmee bewezen dat contact na de dood mogelijk is.

Maar. De vraag of contact na de dood mogelijk is, kun je niet onderzoeken volgens de gangbare methodes.

Je kunt er geen gestandaardiseerd onderzoek naar doen.

Omdat deze persoonlijke ervaringen niet te herhalen zijn.

Wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op onderzoek dat te herhalen is. Iemand anders moet je onderzoek opnieuw kunnen uitvoeren. Dus als je overleden oma plotseling naast je bed staat als geestverschijning, geldt dat niet als bewijs. 

Dat soort vreemde en onverklaarbare zaken worden meestal door het verstand afgeschilderd als verzinsels, hallucinaties, dromen, wensen, psychologische trucjes et cetera. En vele mensen zijn vandaag de dag geneigd om eerder hun verstand te geloven dan hun gevoel. Zo niet, dan worden ze wel aan het twijfelen gebracht door hun omgeving.

Je hoort de laatste tijd wel steeds vaker iets over leven na de dood.

Ik merk een verschil met een aantal jaren geleden. Toen mijn vader dood ging, kon ik op internet bijna niks vinden over leven na de dood. Ik heb er wel literatuur over gevonden, maar weinig.

Aan de andere kant waren de meeste verhalen die ik vond in boeken, al van voor mijn tijd. En opgeschreven in een tijd zonder internet. Juist voor mij een bevestiging dat mijn belevenissen van alle tijden zijn.

Universeel.

Boven welk geloof dan ook uitstijgend.

Wat ik dan gevonden heb?

Dat dit soort avonturen door de eeuwen heen altijd aanwezig zijn geweest, in alle culturen en overal ter wereld.

Wat voorbeelden die me zijn bijgebleven.

Overal zijn verklaringen van mensen over geestverschijningen; soms zelfs twee personen die tegelijkertijd hetzelfde waarnemen. Ze zien een geest, soms een vreemde en soms een bekende. En vooral veel getuigenverklaringen van mensen voor wie zoiets niet vanzelfsprekend is.

Mensen voelen aan dat iemand is overleden op een exact tijdstip, terwijl ze niet aanwezig zijn. Ze weten het en het blijkt achteraf te kloppen.

Over de hele wereld zijn verhalen over bijna dood ervaringen en er worden dan dikwijls overleden bekenden of zelfs overleden onbekenden gezien, die later bekenden blijken te zijn. Zoals het voorbeeld van iemand die tijdens haar bijna dood ervaring haar in de buik overleden tweelingzusje zag, waarover nooit iets verteld was.

En ze bleek dus wel degelijk dat tweelingzusje te hebben.

Onverklaarbare dingen.

Er zijn verhalen van medewerkers in hospices die onverklaarbare dingen hebben meegemaakt bij stervende mensen. Bijvoorbeeld patiënten die in theorie en praktijk zo ziek en/of dement waren dat ze al lange tijd niet meer aanspreekbaar waren en niemand meer herkenden. Maar vlak voor het moment van sterven zaten ze opeens rechtop in bed en spraken tegen bijvoorbeeld hun allang overleden moeder die in de kamer bleek te zijn. Die hen kwam halen.

Er zijn kleine kinderen die spontaan vertellen over mensen die ze bij hun bed zien staan. Terwijl de ouders helemaal niemand zien. Vaak blijken het dan ook nog overleden bekenden te zijn, wanneer wordt omschreven wie ze dan zien.

Of een klein kind praat tegen opa of oma die overleden is. Ze vertellen dan spontaan dat opa of oma gewoon op visite is.

Hoezo kan dat niet? Oma is er gewoon hoor.

Verschijningen bij een afscheid zijn ook overal te vinden. Iemand heeft zijn overleden tante achter de kist zien staan en meer van dat soort verhalen.

Of mensen hebben zelfs iemand gevoeld, alsof er een hand op hen werd gelegd tijdens het afscheid, terwijl er toch niemand te zien was. Ik heb zoiets verschillende keren meegemaakt: Overleden dierbaren voelen – Een subtiele aanraking. Contact na de dood (Deel 9).

En ook weer dezelfde ervaringen van verschillende mensen die tegelijkertijd bij het afscheid van een persoon aanwezig waren.

Maar het is niet bewezen dat het echt is.

Wat is echt?

Is iets alleen maar echt wanneer er een wetenschappelijk bewezen verklaring voor te vinden is?

Ik vind al die voorbeelden en verhalen fascinerend. Mijn verstand wilde ook lang ontkennen dat het echt is. Maar mijn gevoel wist het vanaf het begin zeker. En mijn verstand zegt na het vinden van al die verhalen inmiddels ook dat het gewoon mogelijk is. Alleen niet echt bewezen.

Nou en?

Want. Als het dan echt allemaal onzin zou zijn volgens de wetenschap, hoe is het dan mogelijk dat zovele mensen onafhankelijk van elkaar getuige zijn van hetzelfde soort waarnemingen?

Pas ná mijn persoonlijke dingen ben ik me gaan verdiepen in de mogelijkheden van leven na de dood.

Dat liep uiteen van het bestuderen van verschillende godsdiensten tot wetenschappelijke verklaringen. Van trillingsfrequenties tot geneeskunde tot kwantummechanica. Van mensen die overtuigd een godsdienst belijden en geloven dat er een hiernamaals is, van mensen die medium zijn en met overledenen aan een andere zijde communiceren, tot mensen die ervan overtuigd zijn dat dood helemaal dood is en dat alles letterlijk ophoudt. 

Ik heb informatie meegenomen van psychologen tot chirurgen tot ervaringsdeskundigen. Van wetenschappers die ervan overtuigd zijn dat leven na de dood wél bestaat en van wetenschappers die ervan overtuigd zijn dat het absoluut onzin is. Van niet-wetenschappers die overtuigd zijn van absolute dood is dood en van het tegendeel en andersom. 

Ik wik en weeg en vertrouw op mijn gevoel en verstand.

De combinatie van alles maakt mij ervan overtuigd dat leven na de dood werkelijk bestaat.

Totdat ik dingen ging meemaken, wist ik niet wat ik geloofde of dacht over een mogelijk leven na de dood.

Het staat voor mij ook volkomen los van de één of andere godsdienst. Ik was nergens van overtuigd; eigenlijk was ik er helemaal niet mee bezig. Ik was niet bezig met me af te vragen of dat kon; contact met een overledene en zo.

Die vage shit.

Die je vroeger op school weleens hoorde over glaasje draaien. Ik vond dat allemaal reuze griezelig. Geesten oproepen. Heb dat ook nooit gedaan. Het eventueel bestaan van geesten die bij je zijn, vond ik werkelijk een ongelooflijk eng idee.

Totdat mijn vader dood ging.

Want als híj nu een geest zou zijn, die bij me zou zijn, zou dat namelijk helemaal niet eng of griezelig zijn. Maar nu loop ik op de zaken vooruit.

“Als er helemaal niets is, ben ik dik tevreden”

Dit zei mijn vader nadat ik hem had gevraagd wat hij geloofde.

Ik vroeg hem of hij dacht dat er iets zou zijn wanneer hij dood ging.

En dit vroeg ik, toen we hadden gehoord dat hij nog maar kort te leven had.

Hij vertelde dat hij niet geloofde in een of andere god met een baard op een wolk. Er was ook niet één bepaalde godsdienst waarin hij zich helemaal kon vinden.

Hij zei dat hij het idee dat er iets zou zijn, wel mogelijk achtte.

Je moet weten dat hij bijna zijn hele leven leraar catechese, oftewel, zoals het later werd genoemd, leraar godsdienstonderwijs en maatschappijleer is geweest in het voortgezet onderwijs.

En als ik zijn lesmateriaal en bewaarde werkstukken en proefwerken bekijk, volgde hij zeker niet klakkeloos de gangbare methoden. En dat wist ik natuurlijk ook wel. Hij liet de kinderen zelf nadenken en tot inzichten komen, los van hun opvoeding en/of godsdienst die ze van huis uit meekregen.

Alles werd behandeld.

Eigenlijk net zoals ik dat zelf heb gedaan toen hij eenmaal dood was.

Het tegenstrijdige is alleen dat ik het op eigen houtje heb moeten doen. Hij was er niet meer om het aan te vragen. Dat ik dat hele leven na de dood niet eerder en uitgebreider met hem heb besproken, vind ik nog steeds bijzonder jammer.

Oneindig jammer.

Soms heb je een aanleiding nodig om je ergens in te verdiepen.

Zoals je vader die dood is en aan je laat merken dat hij er nog is.

Zonder twijfel.

Geen twijfel meer.

Je bent er nog!

&

Social Share Buttons and Icons powered by Ultimatelysocial